Interview met Raymond Clement, decaan van de Faculteit Gezondheidszorg en Sociale Studies (Zuyd Hogeschool).

Ik sprak met Raymond Clement, decaan van de Faculteit Gezondheid en Sociale Studies van Zuyd Hogeschool, over de rol die het concept ‘participatiesamenleving’ in ‘zijn’ faculteit speelt. Het werd een openhartig gesprek over nieuwe ontwikkelingen en goede initiatieven (zowel op onderwijskundig- als op onderzoeksvlak), maar ook over beperkingen waar de Faculteit (vaak onvermijdelijk) tegenaan loopt.

Waarom is het interessant om de Faculteit Gezondheid en Sociale Studies zorg in het kader van het concept ‘participatiesamenleving’ onder de aandacht te brengen?

“Participatiesamenleving is geen construct in de zin van een organisatie, de participatiesamenleving is geen wetgeving, de participatiesamenleving is gemeenschap. En in die gemeenschap werken professionals. Participatiesamenleving in de zin van het meer inzetten van mantelzorg, van netwerken, heeft te maken met deelnemen; deelneming van burgers in hun eigen proces. In het traditionele gezondheidszorgsysteem, redelijk gesegmenteerd en redelijk opgedeeld, in de jaren ‘60/’70 (maar misschien ook nog wel heel recent) ging het niet zozeer om deelneming, maar primair om het leveren van een zorgdienst. Alle professionals werden ook zo opgeleid, om goede diagnostiek te stellen en vervolgens de behandeling in te zetten. Daar waar de maatschappij nu stuurt op meer deelneming, moet je natuurlijk professionals wel zo opleiden dat ze ook ontvangen, dat ze ook mensen kunnen stimuleren tot meer deelneming.”

Welke impact heeft een concept als participatiesamenleving op het onderwijsprogramma van de Faculteit?

“Er lopen een paar lijnen. Ten eerste is er het werk van mevrouw Kaljouw, later opgevolgd door mevrouw Kervezee, rondom de grote herindeling van de zorg in 2030. Daar waar we traditioneel de eerste-, tweede- en derdelijnszorg kennen, gaan we volgens Kaljouw & Kervezee toe naar een gezondheidszorgsysteem dat zich over vier velden beweegt, van complex naar eenvoudig toe geredeneerd. Herstel vindt niet langer in het ziekenhuis plaats, maar elders, bijvoorbeeld thuis of in de wijk. Het idee van de participatiesamenleving zit hierin verborgen. Naast deze herindeling van de zorg voegen Kaljouw en Kervezee nóg een belangrijk element toe, namelijk preventie. Hier past dan weer het concept van positieve gezondheid van Machteld Huber in. Als we preventie goed definiëren, dan gaat het niet alleen om het voorkomen van ziekten, maar ook om de herdefiniëring van de vraag ‘wat is ziekte nou eigenlijk?’. Preventie is ook mensen de kans bieden om weer te kunnen participeren.”

Maar hoe vinden deze ontwikkelingen nu concreet hun weg naar het onderwijsprogramma van de Faculteit?

Een duidelijk voorbeeld is de verpleegkunde opleiding, legt Clement uit. Zo is de Bachelor of Nursing 2020 helemaal gebouwd naar het model van Kervezee. In 2020 stromen de eerste ‘nieuwe’ verpleegkundigen uit. Hetzelfde geldt voor de opleidingen sociale studies, waarbij tevens in de afstudeerthesissen gestuurd wordt op onderzoek naar maatschappelijke ontwikkelingen. Dus, kortom, de maatschappelijke ontwikkelingen zitten verweven in het onderwijs. Daarnaast gaat het onderwijs steeds meer van klassikaal onderwijs naar vrije, interdisciplinaire, projecten. “Dit doen we met de lectoraten (de onderzoeksgroepen van het hoger beroepsonderwijs), die samen met de praktijkorganisaties allerlei praktische vragen hebben waar we studenten op zetten. Ook daar komen ze allemaal dit soort ontwikkelingen tegen.” In feite beluister ik hier een doorontwikkeling van het probleemgestuurd onderwijs (pgo) systeem zoals ik dit ken vanuit mijn eigen studententijd. Maar, Clement is zelfkritisch: “De maatschappelijke ontwikkelingen gaan dusdanig snel, dat ik me afvraag of we het praktijkgericht onderwijs niet nog verder moeten doorvoeren, en wel door middel van werkleerbedrijven.” Het idee is dan dat studenten de eerste twee jaar van hun opleiding op school volgen en de laatste twee jaar in de praktijk. “We experimenteren hier al mee, met een groep derdejaars die starten in het ziekenhuis en een andere groep in de ouderenzorg. Als school moeten we een ‘onderwijsarchitectuur’ faciliteren, waarin kennis gezamenlijk wordt overgedragen door praktijk en onderwijs, juist omdat kennis zo aan verandering onderhevig is. Het idee is heel simpel, de uitvoering wellicht weerbarstiger. In feite gaan we hiermee terug naar het inservice-onderwijs van vroeger (tot aan de jaren ’80), maar dan met een regionaal antwoord. Dit wil zeggen, niet opleiden voor één ziekenhuis of één ouderenzorgorganisatie, maar voor de hele branche.” Met andere woorden: teruggaan naar het idee van toen, zonder terug te gaan naar de structuur van toen. Belangrijke toevoeging aan het beeld dat Clement heeft bij deze vorm van ‘duaal opleiden’ is nog dat de keten verankert dient te zijn: “Waar je bezig bent in de klinische lijn, besteden we uitgebreid aandacht aan bijvoorbeeld huisartsenzorg en de vervolgzorg.” De keten van zorg is integraal onderdeel van het onderwijsprogramma.

Wat gebeurt er zoal qua onderzoek binnen de Faculteit op deze thema’s? En hoe vindt dit onderzoek zijn weg naar toepassing in de praktijk?

Hier raak ik een gevoelige snaar. “Nu heb je een van de grootst uitdagingen van het hbo-onderwijs bij de kop”, merkt Clement op. “De veranderingscapaciteit van curricula is beperkt. Noem het ‘inflexibiliteit van het systeem’. Dit kunnen we niet zomaar veranderen. Althans niet snel. Tegelijkertijd zijn er makkelijke manieren om studenten te betrekken bij onderzoek, door ze mee laten te draaien in onderzoeksprojecten. Maar in feite is dit niet voldoende. Je wilt ook de kennis van het onderzoek terugzien in het reguliere onderwijs.” Er gebeurt wel van alles bij Zuyd om, in ieder geval, stappen in de goede richting te zetten. Zo komt er een organisatiewijziging aan, waarbij lectoraten worden toegevoegd aan ‘onderwijsacademies’. “De lectoraten worden onderdeel van de onderwijsteams en de onderwijsteams worden onderdeel van de lectoraatsteams. De mensen van de lectoraten komen zo in de curriculum-commissies. Hiermee gaan we een stapje verder maken, maar, het is nog altijd makkelijker gezegd dan even zo uitgevoerd. Dit komt enerzijds door het statische karakter van curricula en anderzijds door de enorme flexibiliteit die praktijkgericht onderzoek aan de dag moet leggen. Een lectoraat krijgt een vraag vanuit de praktijk en moet daar morgen naar toe, terwijl de student nog zes weken bezig is in een ander blok, bij wijze van spreken. We hebben dus te maken met een planmatig probleem en een inhoudelijk probleem.”

Onlangs stond er in een artikel van Zorgvisie dat een aantal hbo-opleiders op initiatief van de NVZ nieuwe minoren ontwikkelen die beter aansluiten op de huidige stand van de gezondheidszorg (rondom thema’s als e-health, acute zorg en de kind- en ouderrelatie). Spelen dergelijke initiatieven ook bij Zuyd een rol?

Clement is kritisch hierover: “Hiermee gaat men fundamenteel de verkeerde kant uit. Als je de actualiteit wil vertalen in minoren, dan mis je altijd en voortdurend de boot. Het moet een slag dieper gaan. Natuurlijk moet je kennis en kunde rondom e-health en dat soort dingen aanbieden, maar dan via lectoren en projecten en niet per definitie via minoren, dat is veel te traditioneel en bovenal niet duurzaam. Het omarmen van deze thema’s in een minor is leuk, maar we moeten fundamenteel een laagje dieper gaan. Uiteindelijk wil je in staat zijn mensen gepersonaliseerd te laten leren.”

Bedankt voor het lezen en mocht u vragen of opmerkingen hebben, aarzel dan niet om ons te contacteren.

close

Meld u aan en ontvang elk nieuw bericht meteen in uw inbox!

We spammen niet! Lees ons privacybeleid voor meer info.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.